Viering van het 50-jarig bestaan van de Vereniging van Vrijzinnig Hervormden in Krasnapolsky te Amsterdam, 6 september 1963. De openingsrede van professor A. Mulder
Viering van het 50-jarig bestaan van de Vereniging van Vrijzinnig Hervormden in Krasnapolsky te Amsterdam, 6 september 1963. De openingsrede van professor A. Mulder Nationaal Archief / Anefo

De tijd van de modaliteiten is voorbij…

Vroeger kon je van veel predikanten de manier van preken en onderwijzen koppelen aan de 'richting' of 'modaliteit' waartoe ze zich rekenden. Ze waren bijvoorbeeld 'van' de Confessionele Vereniging of juist de 'Vereniging van Vrijzinnig Hervormden'. Tegenwoordig hebben vastomlijnde richtingen hun tijd gehad, aldus onderzoeker Fred van Liemburg.

In het Nederlands Dagblad van 3 januari presenteerde prof.dr. Fred van Lieburg, historicus aan de Vrije Universiteit te Amsterdam en aan de Protestantse Theologische Universiteit te Utrecht, de resultaten van een onderzoek onder gemeentepredikanten in de Protestantse Kerk in Nederland. Hij wilde weten tot welke modaliteit zij zich rekenen. Nadat hij de resultaten van het onderzoek had bekeken, had hij vastgesteld dat het denken in modaliteiten inmiddels tot het verleden behoort.

Van Lieburg: ‘Natuurlijk zijn er nog gemeentepredikanten die van harte geestverwant zijn van deze of gene modaliteit. Maar over het algemeen wordt er negatief tegenaan gekeken. Ze roepen het beeld op van felle polemieken, machtsblokken en vastomlijnde identiteiten.’

Factor van betekenis


In het verleden waren de modaliteiten een factor van betekenis in de kerk. Dat geldt althans van de Nederlandse Hervormde Kerk. In de Gereformeerde Kerken in Nederland en de Evangelisch-Lutherse Kerk in het Koninkrijk der Nederlanden was daar ‘officieel’ geen sprake van.

Ondertussen werd niet meer over ‘richtingen’, maar over ‘modaliteiten’ gesproken. Met betrekking tot het begrip ‘modaliteit’ in de kerkorde van 1951 merkt prof. dr. Th. L. Haitjema op: ‘Het is daar een uitdrukking, die een verscheidenheid in prediking en catechese aan de orde stellen wil, welke zich alleen maar voordoet in de vooronderstelling van eenheid in het belijden ‘in gemeenschap met de belijdenis der vaderen’.’ 

Het is wel duidelijk: het begrip ‘modaliteit’ werd - meer dan het begrip ‘richting’ - met verscheidenheid, niet zozeer met verdeeldheid geassocieerd. Nog iets: meer dan het begrip ‘richting’ leek het begrip ‘modaliteit’ op de plaatselijke kerkelijke situatie in een gemeente betrekking te hebben.

Feit blijft, dat de aloude modalitaire organisaties (de Confessionele Vereniging, de Gereformeerde Bond, de Vereniging van Vrijzinnige Hervormden, het Confessioneel Gereformeerd Beraad en het Evangelisch Werkverband) vooral landelijk opereerden. De Confessionele Vereniging, de Gereformeerde Bond en de Vereniging van Vrijzinnige Hervormden (inmiddels Protestanten) hebben nog een rol gespeeld in de oude richtingenstrijd voor de Tweede Wereldoorlog. Het Confessioneel Gereformeerd Beraad ontstond als tegenbeweging, toen op het erf van de Gereformeerde Kerken in Nederland her en der een vrijzinnige koers gevaren werd. Het Evangelisch Werkverband werd als vernieuwingsbeweging binnen de Samen op Weg-kerken opgericht. 

Allemaal hebben ze zich intensief met het proces van vereniging van de Nederlandse Hervormde Kerk, de Gereformeerde Kerken in Nederland en de Evangelisch-Lutherse Kerk in het Koninkrijk der Nederlanden beziggehouden. In de gelederen van de Gereformeerde Bond leidde die inzet tot een scheuring, toen het Comité tot Behoud van de Nederlandse Hervormde Kerk tot stand kwam. De vertegenwoordigers daarvan vonden later kerkelijk onderdak in de Hersteld Hervormde Kerk.

Sinds de vorming van de Protestantse Kerk in Nederland is er veel veranderd. Om maar iets te noemen: de Confessionele Vereniging en het Confessioneel Gereformeerd Beraad hebben elkaar gevonden, ze vormen inmiddels al een aantal jaren de Confessionele Beweging.

Nauwe samenwerking


Volgens Van Lieburg heeft de vorming van de Protestantse Kerk in Nederland er niet toe bijgedragen dat de modaliteiten zich duidelijker zijn gaan manifesteren. Hij stelt: ‘Je zag dat de organisaties die met de modaliteiten verbonden waren, nauw gingen samenwerken met de landelijke kerk. De HGJB, de hervormd-gereformeerde jongerenorganisatie, verwant aan de Gereformeerde Bond, knoopte banden aan met JOP, het jongerenwerk van de PKN. De IZB deed iets soortgelijks met de missionaire organisatie van de kerk.’

Naar de mening van Van Lieburg hebben de vastomlijnde richtingen hun tijd dus gehad. Een predikant had hem laten weten: ‘Ik vind nu vaak tot mijn verbazing overal mensen en groepen waarbij ik me thuis voel en laat verrassen.’ Van Lieburg vervolgt: ‘De ‘fronten’ liggen vandaag elders. Vandaag vind je de meer uitgesproken standpunten vaker bij ‘gelegenheidsstromingen’. Als dominees bijvoorbeeld opduiken bij een ‘Rode-Lijn-demonstratie’ voor de deur van het PKN-hoofdkantoor. Of als ze steun betuigen aan een Micha-verklaring over de opmars van extreem-rechts. Anderen noemen Christenen voor Israël of Christian Climate Action als nieuwe richtingen. Op deze manier spreken dominees zich nadrukkelijk uit, veel explicieter dan ze zich ooit voor een modaliteit hebben uitgesproken.’

dr. Jan Dirk Wassenaar uit Hellendoorn (Ov.) is een vaste medewerker van Geandewei